Het interview werd gepubliceerd in de 16e editie van de #CohesionAlliance nieuwsbrief
U bent de CvdR-rapporteur voor de nieuwe prestatiekaderverordening die is opgenomen in het voorstel voor het MFK 2028-34. Het klinkt erg technisch, kun je uitleggen waarom dit onderwerp zo belangrijk is?
Op het eerste gezicht lijkt de prestatiekaderverordening een technische exercitie over indicatoren en rapportage. In werkelijkheid is het zeer politiek, omdat het vorm zal geven aan de manier waarop de EU-begroting succes definieert, financiering toewijst en prioriteiten op alle beleidsterreinen afdwingt.
Deze verordening meet niet alleen de efficiëntie van de uitgaven; het bevat ook de beginselen die bepalen waar de EU-begroting voor dient. Zoals benadrukt in het ontwerpadvies van het CvdR waaraan ik werk, dat op 5 februari door de commissie COTER is goedgekeurd, dreigt het door de Europese Commissie voorgestelde governancemodel een einde te maken aan het regionaal beleid en het gemeenschappelijke Europese gelijke speelveld door een nationalisering van de EU-financiën te bevorderen en de plaats van regio’s en steden in de EU-financiering te verzwakken. In die zin zou het kader het evenwicht tussen EU-doelstellingen, nationale prioriteiten en territoriale cohesie op een slechte manier kunnen veranderen.
Bovendien heeft het prestatiekader gevolgen voor de administratieve lasten, de innovatiecapaciteit en de territoriale rechtvaardigheid. Als het slecht wordt ontworpen, kan het innovatieve projecten ontmoedigen en de toegevoegde waarde van het cohesie- en plattelandsontwikkelingsbeleid verminderen.
Wat zijn de belangrijkste punten van zorg en verzoeken die centraal staan in het advies waaraan u werkt?
Het advies spitst zich toe op drie kernpunten:
1. Voorkomen van de renationalisering van het cohesiebeleid.
Het voorgestelde kader dreigt de controle te verschuiven van beheersautoriteiten en regionale actoren naar prestatieplannen op nationaal niveau, waardoor plaatsgebonden beleid en territoriale diversiteit worden ondermijnd.
2. Vermijd valse vereenvoudiging en buitensporige bureaucratie.
Hoewel het systeem is opgezet als vereenvoudiging, wijst bewijsmateriaal van de beheersautoriteiten erop dat het de administratieve lasten kan verhogen, aangezien de verslaglegging over prestaties bovenop de bestaande controles van audits en uitgaven zou komen en deze niet zou vervangen.
3. Bescherming van innovatie, het nemen van risico's en territoriale toegevoegde waarde.
Te rigide indicatoren en gestandaardiseerde streefdoelen dreigen experimenten te benadelen, innovatieve lokale projecten te ontmoedigen en het cohesiebeleid te beperken tot het aanvinken van vakjes in plaats van effect.
Om dit probleem aan te pakken, wordt in het advies verzocht om:
· Een nieuw horizontaal beginsel: “doe geen afbreuk aan de cohesie”, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle EU-begrotingsinstrumenten territoriale cohesie ondersteunen — niet alleen cohesiefondsen. En dit moet gelden voor alle rubrieken, met inbegrip van concurrentievermogen en innovatie.
· Een sterkere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, waarbij de betrokkenheid van regionale en lokale overheden bij nationale en regionale plannen wordt gewaarborgd.
· Echte vereenvoudiging, met inbegrip van adequate financiering voor technische bijstand, met name voor kleinere gemeenten.
· Overgangsperioden om schokken in de uitvoering te voorkomen die de financiering kunnen vertragen en begunstigden schade kunnen berokkenen.
Heeft u het gevoel dat het Europees Parlement in deze fase luistert naar de stem van regio’s en steden? Hoe nauw werk je samen met haar leden?
Het Europees Parlement is zich er steeds meer van bewust dat de toekomst van het cohesiebeleid en de governance van de EU-begroting niet kan worden vormgegeven zonder regio’s en steden. We werken nauw samen met leden van het Europees Parlement (EP-leden) in alle fracties, met name die welke betrokken zijn bij de commissies Regionale Ontwikkeling, Landbouw en Plattelandsontwikkeling en Begroting, en met rapporteurs voor aanverwante dossiers. Er is sprake van convergentie met betrekking tot de belangrijkste punten van zorg: het vermijden van buitensporige centralisatie, het waarborgen van de cohesie en het handhaven van lokale flexibiliteit.
Dat gezegd hebbende, blijft het institutionele evenwicht delicaat. Het Parlement is ontvankelijk, maar een sterke, gecoördineerde inbreng van territoriale actoren blijft van essentieel belang. De rol van het CvdR bestaat er juist in territoriale realiteiten om te zetten in wetgevingseffecten, en we versterken allianties met het Parlement om ervoor te zorgen dat lokale en regionale stemmen in de onderhandelingen tot uiting komen.
In oktober nam u deel aan het publieke protest van de #CohesionAlliance tegen de voorgestelde nationalisatie van het cohesiebeleid. Sindsdien zijn er enkele maanden verstreken. Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, heeft twee brieven gestuurd met amendementen op het oorspronkelijke voorstel. Het lijkt er echter op dat het bereiken van unanimiteit tussen de nationale regeringen een uitdaging blijft. Denkt u dat de onderhandelingen in de goede richting gaan?
De mobilisering van regio’s en steden, onder meer via de #CohesionAlliance, heeft al tastbare politieke gevolgen gehad. Uit de follow-upbrieven van de Commissie en de voorgestelde aanpassingen blijkt dat de druk van gebieden en progressieve actoren van belang is.
Er blijven echter risico's bestaan. Het is moeilijk om unanimiteit tussen de lidstaten te bereiken en sommige regeringen blijven aandringen op meer nationale controle over EU-fondsen, wat de cohesie zou kunnen verzwakken, de territoriale rechtvaardigheid zou kunnen verminderen en de solidariteit in de EU zou kunnen versnipperen. Vooruitgang is mogelijk, maar alleen als de politieke druk aanhoudt. De rijrichting moet duidelijk zijn: Het cohesiebeleid moet Europees, plaatsgebonden en territoriaal verankerd blijven — niet worden omgezet in een reeks nationale uitgavenbudgetten.
De verordening betreffende het prestatiekader is daarom geen technische voetnoot, maar een van de slagvelden die zal bepalen of de EU-begroting een instrument voor convergentie en solidariteit blijft of een mechanisme van nationale versnippering wordt.
In dit stadium lijken voorzitter Von der Leyen en verschillende lidstaten, ondanks een steeds uitdagendere geopolitieke context, nog steeds niet volledig te hebben begrepen dat een sterker Europa noodzakelijkerwijs een sterkere EU-begroting vereist en dat een concurrerender Europa alleen kan worden opgebouwd als alle regio’s in staat zijn om te concurreren. Het verlaten van bepaalde gebieden of het onderfinancieren van belangrijke sectoren zal Europa niet sterker maken — het zal het meer versnipperd, ongelijker en uiteindelijk kwetsbaarder maken.
[Het interview werd gepubliceerd in de 15e editie van de #CohesionAlliance nieuwsbrief]